Worminfecties

Onderstaand is een wetenschappelijk aandoende verhandeling over worminfecties en natuurlijke weerstand. Paarden zijn gevoelig geworden voor worminfecties omdat ze als veulen veel te vaak ontwormd zijn waardoor er geen weerstand opgebouwd kan worden tegen wormen.
Soms is het noodzakelijk om naar de chemie terug te grijpen. Dit als er worminfecties geconstateerd worden. Om worminfecties te voorkomen zouden ook wormdrijvende kruiden geprobeerd kunnen worden onder begeleiding van mestonderzoek.

Doel van het geven natuurlijke wormmiddelen is het bereiken van een evenwichtssituatie tussen gastheer en parasiet. Het geven van bepaalde kruiden maakt de gastheer onaantrekkelijker voor de parasiet (het lichaamsvocht van de gastheer “smaakt vies”, het darmmilieu wordt een onaantrekkelijke omgeving). Hierdoor worden larven niet meer volwassen en volwassen wormen hebben geen zin meer om zich voort te planten. Er wordt een evenwichtssituatie bereikt tussen gastheer en parasiet, waarbij de parasiet tot een niet schadelijk niveau wordt teruggedrongen.

Wormen zijn onderdeel van de natuur. Pogingen om dieren of een ecosysteem vrij te maken van deze organismen, zijn gedoemd om te mislukken.

Het voordeel van bovenstaande situatie is dat het dier in de gelegenheid wordt gesteld om een natuurlijke weerstand tegen inwendige parasieten op te bouwen.
Het nadeel van te weinig opbouw van weerstand wordt bijvoorbeeld gezien als runderen in hun jonge jaren te stringent zijn ontwormd (bolus ontworming etc. ). De immuniteit tegen longwormen is dan te gering, waardoor later ernstige klinische uitbraken, zoals longjacht, vaker voorkomen. Dit verschijnsel bij longwormen is algemeen bekend bij dierenartsen en veehouders.
Deze lijn is ook door te trekken naar andere wormsoorten. Een publicatie van Ploeger laat zien dat de verworven immuniteit bij runderen voor Cooperia en Ostertagia afhankelijk is van het infectieniveau gedurende het eerste weideseizoen ( Ploeger H.W., Kloosterman A., Rietveld F.W., 1995. Acquired immunity against Cooperia spp. and Ostertagia spp. in calves: effect of level of exposure and timing of the midsummer increase. Journal of Veterinary Parasitology 58: 61-74).

Volgens deskundigen op parasitair gebied is deze lijn ook door te trekken naar andere diersoorten.
Het op jonge leeftijd steeds frequenter ontwormen met breed-spectrum ontwormingsmiddelen is in bovenstaande optiek gevaarlijk.
Hierdoor worden dieren afhankelijk gemaakt van (chemische) ontwormings strategieën, die steeds minder effectief blijken te zijn.

Gebruik van gangbare ontwormingspreparaten is onder bepaalde omstandigheden niet zonder risico, zoals bij te jonge dieren, overdoseren en “off label” toepassingen (Ivermectin toxicosis in neonatal foal. Austr.Vet.J. 72:191-192. 1995./ Suspected ivermectin toxicity in kittens. Can. J.32:245-247.1991 )

Het geven van natuurlijke middelen spaart ook het milieu. Bij bepaalde chemische ontwormings middelen wordt waargenomen dat de botanische samenstelling van de weide en het bodemleven schraler wordt en verarmd (Strong L. 1993. The impact of avermectines on pasture land and ecology. Vet. Paras.48: 3-17./ Wall, R., Strong, L. 1987. Environmental consequences of treating cattle with the antiparasitic drug Ivermectin. Nature 327: 418-421.)