Het
ontwormen…. Er zijn zo veel meningen hierover en de adviezen van
deskundigen zijn vaak ook niet eensluidend. Daardoor raken veel paardeneigenaren
in verwarring.
Op de website van immunologie en infectieziekten van de Faculteit
Diergeneeskunde in Utrecht staat een beslissingsboom t.a.v. wormbehandelingen (www.parasietenwijzer.nl).
Hier worden duidelijke en rationele adviezen gegeven over praktisch ontwormen
met chemische middelen en weidemanagement. Wij willen met dit artikel echter nog
een aantal elementen toevoegen, te weten de mogelijkheid om met natuurlijke
middelen te werken
, de manieren om de weerstand tegen de worm te verhogen
en de wormdruk van het terrein te verminderen.
Inwendige
parasieten zoals de rondworm en lintworm komen bij alle diersoorten voor,
inclusief de mens. Gedurende de evolutie hebben deze ‘parasieten’ zich
gespecialiseerd in het verblijven in andermans lichaam. Soms worden hier grote
trektochten gehouden. Vooral de onvolwassen stadia (larven) zijn op dit gebied
actief. De volwassen stadia verblijven in de darm, paren ook hier en de
vrouwtjes brengen eitjes voort. Deze komen via de mest op de grond terecht. Deze
eitjes hebben een aantal dagen nodig om te ‘rijpen’, d.w.z. om infectieus te
worden. Soms wordt er gebruikt gemaakt van ‘tussengastheren’. Voor de
paardenlintworm is dat de mosmijt, die veel op vervilte graslanden voorkomt. En
voor de leverbot is dat de leverbotslak die vaak op drassige terreinen vertoeft.
Deze tussengastheren worden dan inclusief de wormlarven opgegeten, waarna de
cyclus in de eindgastheer (het paard) begint.
De
term parasiet is misschien niet helemaal juist. De worm wil de gastheer niet
verzwakken of doden; hij is namelijk afhankelijk van hem, dus hij is gebaat bij
vreedzame samenleven. Paard en worm zijn ook evolutionaire
maatjes. Miljoenen jaren hebben ze samen overleefd en elkaar gerespecteerd.
Wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat de worm wel eens gunstig zou
kunnen zijn voor een evenwichtige ontwikkeling van de afweer. Wormen worden nu
bij de mens met succes ingezet bij constitutioneel eczeem en ziekte van Crohn.
Elk
paard heeft wormen, ook het wilde of verwilderde paard. Onderzoek in de
Blauwe Kamer bij Koniks liet zien dat alle wormsoorten vertegenwoordigd waren.
Maar bij het wilde paard leidt de worm bijna nooit tot problemen. Met andere
woorden: er is wel een worm aanwezig, maar geen wormziekte. Behalve bij
verzwakking door andere redenen kan de worm echte schade aanrichten.
Een kanttekening hierbij: hoewel de Koniks de status hebben als ‘wild’ paard
is enige kritiek hierop wel op zijn plaats. Ook in de Oostvaarderse plassen zijn
de Koniks niet echt ‘wild’. Natuurlijke vijanden ontbreken, er is sprake van
overbezetting en er staan overal hekken en heiningen.
Afgelopen winter heeft dat tot de hongerdood van 1/3 van de planteneters geleid
(meer dan duizend dieren). Zoals Ghandi zei: de mate van beschaving is af te
lezen aan de manier waarop de mens met dieren omgaat.
In
het wild heeft het paard
veel meer ruimte. Dus hij kan plekken waar hij pas gemest heeft vermijden. Toch
keert hij vrij vlug weer terug naar die plaats om te grazen. Dus er is wel
degelijk sprake van wormbesmetting. Maar hoe komt het dat hij zelden ziek wordt?
In beginsel heeft hij veel mogelijkheden om selectief wormdrijvende kruiden
zoals boerenwormkruid en bijvoet te kiezen. Bomen, struiken en een groot scala
aan kleinere planten en grassen zorgen voor een rijk en gevarieerd menu. Ook
zijn er in de natuur andere grazers actief, zoals herten en runderen, die als
stofzuigers de paardenparasieten oppeuzelen.
Hier praten we dus over de aanwezigheid
van positieve factoren. Maar deze weerstand is volgens ons ook een gevolg
van de afwezigheid van
verzwakkende factoren zoals: inteelt,
vroeg spenen, eenzame opsluiting, te weinig ruwvoer en teveel krachtvoer,
transport, overvaccineren, intensief chemisch ontwormen, geneesmiddelen etc.
Het intensief chemisch ontwormen vanaf veulenleeftijd, bijvoorbeeld, blokkeert
de natuurlijke weerstandsopbouw, waardoor hij op latere leeftijd gevoeliger
wordt voor wormziekte.
Wormen kunnen nooit uitroeien worden. De samenleving tussen paarden en
wormen moet balans hebben. Zorgen dat het paard sterk en gezond wordt, zodat de
worm er wel in kan wonen, maar geen schade doet.
Enerzijds moeten we de ‘wormdruk’ in de leefomgeving verminderen en
anderzijds het paard weerstand geven. Afhankelijk van de leefomgeving, zullen de
adviezen over ontworming en weidemanagement variëren. Om hierover zinvol te
kunnen schrijven moeten wij een uitgangssituatie kiezen. We hebben gekozen voor
een situatie, die wij vaak in onze praktijk zien: paarden die buiten gehouden
worden, met schuilgelegenheid en een bezetting van ongeveer 1 paard per 2500 m²
weide. Er is meer dan 1 paard aanwezig en er wordt af en toe een buitenrit
gemaakt. Factoren die een rol spelen zijn leefomstandigheden en infectiedruk,
voeding, stress, wormonderzoekmethoden en keuze voor ontworming en ontwormings
middelen.
Allereerst kijken we naar de leefomstandigheden. Weidegang gedurende het
gehele jaar heeft een onmiskenbaar gunstige invloed op de weerstand van paarden.
Het weiland moet een gevarieerd gras – en kruidenbestand hebben. De wilg is
erg geliefd als knaagobject. Als perceelafscheiding is een meidoornhaag
bijvoorbeeld geschikt. Deze geven het paard nog extra toevoegingen voor zijn
gezondheid. Een ‘hoog en droog’ plekje, dus een verharde ‘hang en
eetplaats’ mag ook niet vergeten worden in de gedachten over de optimale
weidegang.
Het
begrip EBO (Effectieve Begrazings Oppervlakte) is de mate waarin een weide
daadwerkelijk begraasd wordt. Hoewel wij één ha weiland laten begrazen door 4
paarden, is het verbazingwekkend hoe snel de oppervlakte die begraasd wordt,
binnen één seizoen met wel 75% verminderd. Eén ha wordt dus snel gereduceerd
tot een ‘trapveldje’ waar ze continue staan te grazen. Dit komt o.a. door de
zogenaamde “grasbanen”. Het zijn
gras stroken die niet begraasd worden omdat paarden er gemest hebben. Zolang dat
plekje ‘negatieve informatie’ bevat, die vaak met de worm te maken heeft,
willen paarden dus niet op die plek grazen.
Maar waarom eten wilde paarden eerder hun grasbaan? Het antwoord ligt bij
zonlicht, vorst en zodecompostering en een open grasbestand, die gemakkelijk
zonlicht toelaat. Dit zijn belangrijke factoren die de natuur biedt, waardoor
wormeieren afsterven, zodat de negatieve informatie weggaat. Overwoekering met
onaantrekkelijke planten zoals ridderzuring, brandnetel kan het EBO ook
aanzienlijk reduceren.
Kortom, het EBO zo groot mogelijk te houden en een tijdige aanpak van de
grasbanen is belangrijk om de wormbesmetting te onderdrukken.
Adviezen:
-
Mest
uit weiland verwijderen
-
Mest
op de ‘hang en eetplaats’ moet het liefst dagelijks afgevoerd en op een
hoop gezet worden. Deze hoop composteren met behulp van melasse en
micro-organismen. Door compostering worden de wormeieren ook afgedood. De op
deze manier bewerkte mest (compost) kan veilig over het land verspreid
worden. (voor meer informatie zie www.eminfo.nl).
Manuele mestverwijdering geeft ook een goede mogelijkheid om de ontlasting
te inspecteren.
-
Het
ruwvoer in bakken of netten (www.hooinet.nl)
aanbieden om de orale opname van eieren zoveel mogelijk te beperken
-
Slepen
of uitmaaien van de grasbanen, bij sterk zonlicht. Hierna de grasbanen
besproeien met melasse en micro-organismen, om zo snel mogelijk
zodecompostering op gang te brengen.
-
Tijdige
herinzaai van vertrapte gedeelten. Deze wel uitheiningen!
-
Hagen
(meidoorn, beuk, wilg) planten als perceelafscheiding
-
Zaai
kruidenstroken langs deze wallen (wel afzetten) met een mengsel van
plantensoorten die o.a. wormdrijvend zijn (Boerenwormkruid, Rode klaver, St.
Janskruid, Mintsoorten, Bijvoet). De bodemkwaliteit moet wel aansluiten bij
de behoefte van het zaadmengsel
-
Zuring
bestrijden door handmatig planten te trekken, voordat er zaadzetting is
geweest.
-
Ook
de bodemkwaliteit onderzoeken bij veel zuring en maatregelen nemen
-
Brandnetel
en distel maaien. De verdroogde afgemaaide delen worden graag gegeten.
-
Meng
– of na beweiding met herkauwers. Deze begrazen de grasbanen en fungeren
als stofzuiger voor de paardenparasiet en v.v.
-
Het
aanleggen van een ‘Paddock Paradise’. Deze is ontwikkeld door smid en
mustang kenner Jaime Jackson.
N.B.
Bovenstaande maatregelen (terug brengen van natuurlijke elementen) kunnen in
aanmerking komen voor aanzienlijke subsidies (PSN en PSAN regeling).
Als
bovengenoemd weidebeheer niet
gerealiseerd kan worden, is het niet aan te bevelen om jonge paarden op een
perceel te laten weiden, waar het vorig jaar ook jonge paarden hebben gelopen
i.v.m. een te hoge weidebesmetting met spoelwormeieren. De paardenspoelworm (Parascaris
Equorum) wordt in een rap tempo resistent tegen wormmiddelen uit de groep van de
ivermectine’s.
Voeding
is de tweede belangrijke factor. Het
merendeel van de paarden in Nederland krijgt te weinig ruwvoer en te veel
krachtvoer. Het paard heeft voldoende ruwvoer van goede kwaliteit nodig (2 kg/
100 kg LG per dag) voor zijn dikke darm fermentatie. Krachtvoer is meestal niet
nodig als het paard alleen voor recreatie wordt gebruikt (elke dag ongeveer een
uur rijden). Bronnen in de V.S. vermelden dat teveel krachtvoer in relatie tot
ruwvoer het paard extra bevattelijk maakt voor wormziekte. Het heeft wellicht te
maken met het feit dat veel krachtvoeders teveel calcium en ijzer bevatten,
waardoor er een opname probleem optreedt t.a.v. magnesium en koper. Een opname
gebrek van organisch magnesium en koper staat in directe relatie met het
vermogen van een paard om parasieten ‘te verdragen’. Bovendien bevatten
meeste krachtvoeders levertoxische chemische stoffen zoals BHA en BHT, ook
sommige zogenaamde ‘natuurmuesli’s’. Een en ander is terug te vinden op
het label van een zak voer.
Adviezen:
Gebalanceerde opname van organische mineralen, sporenelementen en vitaminen
is zeer belangrijk voor het paard. Deze moeten uit het ruwvoer komen. Maar omdat
Nederlands gras en ruwvoer deze elementen vaak onvoldoende (of ongebalanceerd)
bevatten, is het aan te bevelen om extra kruidenpreparaten, spirulina e.d. te
gebruiken. Wormdrijvende kruiden passen ook goed in deze aanpak.
Water
kan veel calcium (leidingwater) of ijzer
(bronwater) bevatten. Een kritisch onderzoek van drinkwaterkwaliteit is dan ook
essentieel. Altijd drinkwater van goede kwaliteit ter beschikking stellen. Dwing
de paarden niet uit vervuilde modderpoelen te drinken. Deze wemelen vaak van de
parasieten.
Diverse studies tonen aan dat stress samen gaat met een ongunstige
verandering van de maag/darm flora, waardoor het paard zijn weerstand verliest
tegen de aanwezigheid van wormen. Hierdoor kan hij wormziekte oplopen en/of
wormeieren gaan uitscheiden die een hoge wormbesmetting veroorzaakt. Bewust
omgaan met stress van het paard is dus ook belangrijk voor wormmanagement.
Stress kan allerlei oorzaken hebben: transport, overdreven prestatiedruk,
onjuist bitgebruik, niet passende zadels en onkundige ruiters, ondeugdelijke
zware bodems, boxhuisvesting, isolatie, etc…………….
Adviezen
vóór, tijden en na stress:
De
vraag dringt zich op wanneer gedacht moet worden aan wormbestrijding.
Voordat men beslist om chemisch te ontwormen, is het zinvol om eerst een
mestonderzoek te laten verrichten. Omdat een chemische ontworming het paard
belast (zie 5) en ook omdat de wormen de kans krijgen om resistentie te
ontwikkelen. Hoe meer wormen in aanraking komen met een chemisch middel hoe
groter de kans is op massale ontwikkeling van resistentie. Het is belangrijk om
de populatie wormen zo min mogelijk met chemische middelen in aanraking te laten
komen. Dit wordt met een moeilijk woord het vormen van een refugium
genoemd.
Via
mestonderzoek op wormeieren kan het EPG (eieren
per gram) bepaald worden. Paarden die een hoog EPG (meer dan 200) hebben,
worden uitscheiders genoemd. Deze groep moet (natuurlijk/chemisch) ontwormd
worden. Paarden die geen of weinig eieren uitscheiden, hebben geen chemisch
ontwormingsmiddel nodig, maar bij twijfel kunnen wel natuurlijke middelen
gebruikt worden.
Studies in de UK hebben laten zien dat meer dan 80% van de paarden chemisch
ontwormd wordt op een moment dat er geen eiuitscheiding plaats vindt. Zij worden
dus onnodig ontworm wat dan wel met de nodige negatieve gevolgen voor het paard
en omgeving.
September en maart zijn goede tijden om mestonderzoek te laten verrichten
voor alle paarden.
Maar onderstaande paarden hebben vaker onderzoek nodig (4x maal per jaar). Het
gaat om paarden die vaak getransporteerd worden, veulens, jaarlingen en
twenters, paarden die laag in rangorde staan en paarden die in slechte conditie
zijn.
Een goede manier om een mestmonster te nemen is door mest te verzamelen die
dezelfde dag geproduceerd is en geen aanraking met de bodem heeft gehad. Doe dit
gedurende drie achtereenvolgende dagen en meng deze drie monsters goed door
elkaar.
Adviezen:
Zelfs de risicopaarden en ei-uitscheiders hoeven niet per se chemisch
ontwormd te worden. Onze ervaring leert dat het vrij veilig is om hiervoor
kruidenpreparaten en probiotica te gebruiken, mits regelmatig mestonderzoek
wordt gedaan. Voor het preventief gebruik van kruidenpreparaten is het ook
raadzaam om regelmatig te kijken of de uitscheiding van wormeieren niet te groot
wordt. Er zijn altijd meerdere keuzes en toepassingen. Bekijk de situatie
kritisch en stem de maatregelen daarop af.
Er
zijn veel ontwormingsmiddelen, waarvan de chemische ontwormingsmiddelen het
meeste worden gebruikt. Er zijn grofweg drie groepen van middelen, die elk hun
eigenschappen hebben.
Voor de toepassing verwijzen wij u naar de informatie die de FIDIN hierover
heeft, of wederom op www.parasietenwijzer.nl.
Wij willen zo veel mogelijk natuurlijk middelen gebruiken, maar in de volgende
situaties is het sterk aan te raden om chemisch te ontwormen, namelijk als er
sprake is van een slechte conditie en uit mestonderzoek en aanvullend
bloedonderzoek blijkt dat hier een worminfectie de schuld van is, en als de rode
bloedworm in de mest zichtbaar is (hiervoor Moxidectine gebruiken)
Bij het toepassen van chemische wormmiddelen moet men wel beseffen dat er
nadelen zijn.
Zoals verstoring van de maag/darm flora
, extra belasting van de leve
r, meer kans op allergieën, afhankelijkheid van chemische middelen en kans op
darmscheuren bij ernstige spoelworminfecties
. Een paard heeft een kleine lever en daardoor een beperkt vermogen om te
ontgiften.
Sommige middelen kunnen acuut toxisch zijn bij onjuiste toepassing
. Er kan ongevoeligheid van de worm voor chemische middelen
optreden, waardoor steeds sneller weer wormen aanwezig zijn in het
lichaam.
Intensief
ontwormen op jonge leeftijd (zoals vaak
voorgeschreven) heeft een zeer nadelig effect voor de ontwikkeling van een goede
weerstand op oudere leeftijd. Door intensief ontwormen worden volwassen paarden
afhankelijk gemaakt van chemische ontwormings - strategieën, die overigens
steeds minder effectief blijken te zijn. Veel chemische preparaten zijn enkel
actief tegen de volwassen stadia die in de darm verblijven. Door de darm op te
schonen gaan de jonge stadia versneld de holte van de darm herbevolken. Deze
kunstmatige opwekking van trektochten van larven kan darmen en bloedvaten
beschadigen.
Overigens is het intensief ontwormen niet alleen schadelijk voor het paard.
Sommige stoffen blijven nog actief, ook al hebben ze het paard weer verlaten.
Vooral bij sombere dagen moet men uitkijken voor de negatieve effecten op
bodemleven (wormen, insecten, waterdieren en dieren die paardenmest eten).
Behalve mestkevers en dassen, kunnen honden zich overmatig tegoed doen aan
paardenvijgen. Vooral collie-achtigen zijn uiterst gevoelig voor restanten
ivermectinen.
Adviezen:
Samen met chemische middelen ook probiotica geven (één dag voor, tijdens
en één dag na de toepassing van chemie). Ook is het zinvol tegelijkertijd
wormdrijvende kruiden te geven, omdat deze ook een detox
effect hebben.
Er
zijn ook goede natuurlijke middelen. Het
merendeel van de kruiden die hiervoor gebruikt kunnen worden doden de wormen
niet, maar maken de gastheer (i.c. het paard) onaantrekkelijker voor de worm.
Als de worm in een ongunstige omgeving leeft, wordt er niet gepaard en dus ook
geen eieren geproduceerd. Ook de jonge wormen groeien niet of minder. Met andere
woorden: de ontwikkelingscyclus van de worm wordt tegengewerkt tot een
onschadelijk niveau, terwijl de worm wel aanwezig is.
De
volgende middelen worden door ons gebruikt. De doseringen zijn gebaseerd op een
paard van 500 kg.
·
Wormbalans
Inhoud: anijs, venkel, zoethoutwortel, brandnetel, mariadistel, berkenblad,
guldenroede, duizendblad, eswortel, johanneskruid, cichorei, rozemarijn,
Europese mintsoorten, frambozenblad, citroenkruid
Toepassing: 20 gram per dag, gedurende 10 dagen per maand
·
Verm-x
Inhoud: knoflook, kaneel, pepermuntblad, tijm, kleefkruid.
Toepassing: vloeibaar, 25 ml per dag, 3 dagen per maand
(Er zijn ook poeders beschikbaar)
·
Digenea Simplex
Dit is een zeewier uit Japan en het heeft wél wormdrijvende eigenschappen. Als
een spoelworm in aanraking wordt gebracht met Digenea gaat deze in een acuut
coma. Hij kan zich niet meer vasthouden en verlaat het lichaam aan de
achterkant. Een goede darmpassage is van belang, dus eventueel zemelen erbij
geven. Geschikt voor de groepen
‘risicopaarden’ of ‘uitscheider’.
Toepassing: 10 gram per dag, gedurende 10 dagen per maand
·
Kieselgur of Diatomeeënaarde
Dit zijn fossiele siliciumskeletjes met
scherpe stekeltjes, die de wand van de worm lekprikken. (Let op: de Kieselgur
niet inademen, Kieselgur en het liefst met vochtig gemaakte voeding mengen).
Over de effectiviteit wordt getwist, maar gezien de andere positieve
eigenschappen van dit preparaat (versterking botweefsel) heeft het wel degelijk
een plaats. Uitwendig kan het ook gebruikt worden bij ectoparasieten als luizen,
vlooien e.d. Geschikt voor de groepen ‘risicopaarden’ of ‘uitscheider.
Toepassing: 2 x 30 gram per dag, gedurende 1 maand, 4x per jaar.
·
Knoflook
1 teentje/100
kg en niet langer dan 3 weken achter elkaar i.v.m. het gevaar voor bloedafbraak.
Om ook een vliegenwerend effect te krijgen moet al vroeg in het voorjaar gestart
te worden. Sommige paarden hebben een probleem met de smaak.
Adviezen:
Om een goede indruk van de werking van natuurlijke preparaten te krijgen, wordt
geadviseerd het wormei onderzoek pas na 21 dagen te verrichten, ondanks het feit
dat deze preparaten ook direct werken. Er zijn natuurlijk nog meer kruiden of
preparaten die gebruikt kunnen worden zoals pompoenzaad, wortel, zemelen, noni,
etc, maar hier hebben wij geen ervaring mee. Niet bewezen, maar misschien toch
waar en het kan geen kwaad: ontworm bij volle maan.
Belangrijk
is dat wij een balans moeten vinden tussen het paard, de worm en de
middelen. Zolang onze paarden een goede conditie hebben, een normale eetlust,
actief zijn en gezonde ontlasting produceren, kunnen wij min of meer bedenken
dat de samenleving tussen het paard en wormen ook goed verloopt. Mestonderzoek
(minimaal 2x per jaar) is een belangrijk instrument ter controle van de
wormstatus. Varkenspest is geen probleem voor het wilde zwijn en vogelpest is
geen probleem voor de wilde zwaan. Het verhaal van de worm en het paard staat
dus niet op zichzelf, maar heeft verbinding met alle dieren die onderworpen zijn
aan de geselen van de domesticatie.